Online Academie StartenKennisbank

Kennisbank / Fase 3 · Het programma opzetten

Van “ik weet veel” naar leerdoelen die je kunt nakijken

Hoe je je kennis omzet in leerdoelen die concreet genoeg zijn om lessen op te bouwen en om achteraf te toetsen of het gelukt is.

Stap 5 van 15 in de route  ·  4 minuten lezen  ·  5 augustus 2026

Een hand streept een regel op een lijst door en schrijft er een kortere onder.
Een leerdoel is af als het korter is dan de vorige versie en achteraf na te kijken.

Een leerdoel is geen onderwerp. "Prijsstelling" is een onderwerp. "De deelnemer kan een uurtarief berekenen waarin ook niet-declarabele tijd is meegerekend" is een leerdoel. Het verschil lijkt klein en het bepaalt de hele opzet van je programma.

Waarom je hier niet omheen kunt

Zonder leerdoelen loop je tegen drie dingen aan. Je weet niet wanneer een les af is, dus je blijft toevoegen. Je weet niet wat je moet toetsen, dus je toetst niets. En je kunt op je verkooppagina niet opschrijven wat iemand na afloop kan, dus je valt terug op vage beloftes.

Met leerdoelen krijg je die drie gratis. De les is af als het doel gehaald wordt. De toets is de vraag of het doel gehaald is. En je verkooppagina bestaat voor een deel uit je eigen leerdoelen, alleen wat vriendelijker opgeschreven.

Het stramien

Een bruikbaar leerdoel heeft altijd dezelfde vorm: na deze les kan de deelnemer [werkwoord] [wat] [onder welke voorwaarde].

Het werkwoord is het belangrijkste deel. Neem er een dat je kunt waarnemen: berekenen, opstellen, herkennen, kiezen, corrigeren, uitvoeren, beoordelen. Vermijd werkwoorden die je nooit kunt controleren: begrijpen, weten, inzien, kennis hebben van. Je kunt niet zien of iemand iets begrijpt. Je kunt wel zien of iemand het goede antwoord kiest of een correct formulier oplevert.

Een paar voorbeelden van de omzetting:

  • Van "de deelnemer begrijpt de btw-regels" naar "de deelnemer kan bepalen welk btw-tarief bij zijn eigen dienst hoort en waar hij dat controleert".
  • Van "de deelnemer weet hoe je licht gebruikt" naar "de deelnemer kan een product zo opstellen bij een raam dat er geen harde schaduw op valt".
  • Van "de deelnemer kent gesprekstechnieken" naar "de deelnemer kan een gesprek openen zonder dat de ander in de verdediging schiet".

Drie niveaus en waarom je ze door elkaar moet gebruiken

Leerdoelen zitten grofweg op drie niveaus en een programma dat alleen op het laagste niveau blijft, voelt als een naslagwerk.

Weten. De deelnemer kan iets benoemen of herkennen. Nodig als bagage, maar op zichzelf saai.

Toepassen. De deelnemer kan het in zijn eigen situatie uitvoeren. Dit is waar je programma zijn waarde vandaan haalt.

Beoordelen. De deelnemer kan kiezen tussen mogelijkheden en zijn keuze verantwoorden. Dit is het niveau waarop mensen zelfstandig verder kunnen zonder jou.

Een goed programma begint met wat weten, zit voor het grootste deel op toepassen en eindigt met beoordelen. Wie alleen uitlegt, maakt een video-encyclopedie. Wie meteen op beoordelen begint, verliest de helft van zijn deelnemers.

Van doel naar les

Zodra een leerdoel staat, volgt de rest bijna vanzelf. Bij elk doel hoort:

  1. Uitleg. Waarom werkt het zo en wat is de valkuil.
  2. Voordoen. Jij doet het één keer met een echt voorbeeld, hardop denkend.
  3. Zelf doen. De deelnemer voert het uit op zijn eigen situatie.
  4. Controle. Een vraag, een checklist of een ingeleverde opdracht waaruit blijkt of het gelukt is.

Stap twee en drie zijn de stappen die het vaakst worden overgeslagen en het zijn precies de stappen waardoor mensen een cursus afmaken. Zie werkbladen, opdrachten en toetsen voor de vorm die deze stappen kunnen krijgen.

Hoeveel doelen per les?

Eén. Hooguit twee, als ze onlosmakelijk bij elkaar horen.

Dat voelt karig, maar het is de reden dat sommige cursussen wel worden afgemaakt en andere niet. Een les met vier doelen wordt lang en een lange les wordt uitgesteld. Merk je bij het schrijven dat er meer doelen in zitten, dan is dat geen probleem met je doelen maar een aanwijzing dat je de les moet splitsen. In hoe je je stof indeelt staat hoe je die splitsing maakt zonder je programma uit elkaar te laten vallen.

Werk van achteren naar voren

Begin bij het einddoel van het hele programma, de zin die je al hebt opgeschreven bij het kiezen van je onderwerp. Vraag daarna steeds: wat moet iemand kunnen voordat dit lukt? Dat antwoord is het doel van de les ervoor.

Zo krijg je een keten in plaats van een verzameling. Je merkt het meteen als er een schakel ontbreekt, want dan kun je de vraag niet beantwoorden. En je merkt het als er een schakel te veel is, want dan kun je hem weglaten zonder dat de keten breekt.

De schrapregel

Als een les niet bijdraagt aan het einddoel, gaat hij eruit. Ook als het een goede les is. Ook als je er veel werk in hebt gestopt.

Wat je schrapt, verdwijnt niet: zet het op een lijst voor een vervolgprogramma, een bonusles of een artikel. Maar in het hoofdprogramma blijft alleen wat nodig is om het beloofde resultaat te halen. Dat maakt je cursus korter, duidelijker en makkelijker om af te maken. Voor de deelnemer én voor jou.

Hierna in de route · stap 6

Hoe je je stof indeelt in modules en lessen

Een werkbare indeling voor je online programma: hoeveel modules, hoe lang een les mag duren en waarom de volgorde belangrijker is dan de hoeveelheid.

Fase 3 · Het programma opzetten

Fase klaar alsEr ligt een indeling in modules en lessen, met per les een leerdoel en een opdracht.

Hulpmiddelen

Het werkplan zet de 29 stappen op een rij met per stap de zin waaraan je ziet dat hij af is. De rekenhulp rekent je aanbod door.